![]() |
||
![]() ![]() ![]() ![]() ![]() ![]() |
||
|
|
||
|
Hendrik Kloos Hendrik, geboren op 22 maart 1812 in Ameide en overleden op 9 juni 1830 in Willige Langerak, waar zijn stoffelijk overschot werd opgevist uit de rivier de Lek.
Helena en Susanna Kriellaard |
Door Hans van den HeuvelIn Ameide herinnert nog maar weinig aan het geslacht Kloos. Er is dan ook al een periode van ruim 120 jaar verstreken sinds Maria Kloos, de laatste telg van het geslacht Kloos die er woonde, op de laatste dag van het jaar 1891 ter aarde werd besteld op de oude Algemene Begraafplaats aan de toe nog Achterweg geheten J.W. van Puttestraat. Ze bereikte de voor die tijd hoge leeftijd van 83 jaar. De familie Kloos woonde in het monumentale pand Dam 9, op de hoek van de Dam en de Kerkstraat, waar in later jaren de gerenommeerde slagerij van Adrianus (Janus) Muilwijk en diens zoon Aart en kleinzoon Simon was gevestigd. Daarom werd het pand vroeger het “huis van Kloos” genoemd. De legendarische hervormde dominee Maarten van Grieken1 , die van 1902 tot 1910 in Ameide stond, woonde er in het begin van de vorige eeuw tijdelijk, toen in de Kerkstraat naast de hervormde kerk een nieuwe pastorie werd gebouwd. Dit karakteristieke bouwwerk is in 1968 jammer genoeg gesloopt. Toen de predikant Ameide in 1910 per koets verliet om naar zijn nieuwe standplaats Delft te gaan, werd hij volgens de overlevering door “Abraham Prikkie”, handelaar in potten en pannen en fervent voorstander van de voortzetting van de plaatselijke kermis, waartegen Van Grieken fel gekant was, uitgeleide gedaan met de volgende tekst: “Dominee van Grieken naar Delft, pispotten voor de helft!” Verder heeft het geslacht Kloos in Ameide sporen nagelaten in de vorm van een "familiegraf" op de eerder genoemde oude Algemene Begraafplaats. Voor zover ik heb kunnen nagaan zijn naast de in de aanhef van dit artikel vermelde Maria Kloos in de periode van eind juni 1829 tot begin februari 1890 Helena, Pieter, Hendrik Johannes, Tieleman, Elizabeth M. en Tieleman Kloos Pzn daar begraven. De oudste generatie De in Alphen Land van Cleef (Pruissen) geboren op 16-11-1738 en op 7 februari 1788 in Ameide begraven Tieleman Kloos geldt als de stamvader van het geslacht Kloos. Zoon van Pieter Kloth / Kloothen / Klotz en Elisabeth Neerevoort. Tieleman kwam vanuit Alphen (land van Cleef (Pruissen) in 1764 in het plaatsje Benschop in de provincie Utrecht. Vandaar uit vetrok hij enkele jaren later naar Ameide, alwaar hij zich op21 juli 1768 als lidmaat ingeschreven staat.. Hij trad in Ameide tweemaal in het huwelijk, op 19 augustus 1770 met de uit Utrecht afkomstige Maria Velthoven , na het overlijden van Maria voor 1775, trad hij op 19 maart 1775 in het huwelijk met Lijsje Vink, dochter van Floris Vink en Leentje Ariensdr Blommendaal, gedoopt te Ameide op 5 januari 1746 en aldaar overleden op 18 maart 1812. De weduwe Kloos-Vink wordt in respectievelijk 1792 en 1798 vermeld in documenten, die betrekking hebben op ontvangsten uit de verhuur van kerkstoelen (“3e reij, stoel 2”) Uit het tweede huwelijk werden zeven kinderen geboren: 1. Florus, gedoopt te Ameide op 31 december 1775. 2. Pieter, zie verder bij de tweede generatie. 3. Helena, zie verder bij de tweede generatie. 4. Floris, zie verder bij de tweede generatie. 5. Elizabeth, zie verder bij de tweede generatie. 6. Arie, zie verder bij de tweede generatie, en 7. Gerrit, gedoopt te Ameide op 23 juli 1786 en op 3 mei 1815 in Rotterdam gehuwd met de op 13 mei 1792 in Ameide gedoopte Cornelia van Gelderen, dochter van Wouter van Gelderen en Geertrui Schouten. De tweede generatie Pieter, de op één na oudste zoon van Tieleman Kloos en Lijsje Vink, werd op 31 maart 1777 in Ameide gedoopt en overleed daar op 25 november 1862. Hij was van beroep “aannemer van ’s lands werken”. Zijn vrouw, met wie hij op 30 december 1806 in zijn geboorteplaats in het huwelijk trad, was de omstreeks 1773 in Hillegersberg geboren en op 5 augustus 1835 in Ameide overleden Maria Herpst, dochter van Hendrik Herpst en Merrigje Stenis. Het echtpaar had drie kinderen: 1. Tieleman, geboren op 22 april 1808 in Ameide en aldaar overleden op 31 januari 1890. 2. Hendrikus Johannes, geboren op 22 april 1811 in Ameide, op 10 juli 1864 overleden in Nieuwkuik en vier dagen daarna begraven in Ameide, 3. Elizabeth Merrigje, op 2 februari 1816 geboren in Ameide, op 30 januari 1877 overleden in Rotterdam en vier dagen daarna begraven in Ameide. Helena (Leena), de oudste dochter van Tieleman Kloos en Lijsje Vink, werd op 17 april 1779 in Ameide gedoopt en overleed daar op 22 januari 1817. Ze trad op 2 maart 1800 in haar geboorteplaats in het huwelijk met de op 6 februari 1774 in Ameide geboren en daar op 21 augustus 1832 overleden winkelier Gerrit van Limburg, zoon van Johannes van Limburg en Merrigje van Es. Het echtpaar kreeg vijf kinderen: 1. Merrigje, zie verder bij de derde generatie. 2. Eliisabeth, zie verder bij de derde generatie. 3. Johannes, geboren op 28 mei 1806 in Ameide. 4. Tieleman, geboren. op 18 januari 1809 in Ameide en daar overleden op 18 maart 1821, en 5. Pieter, zie verder bij de derde generatie. Floris,
de derde zoon, wiens naam ook als Floorus of Florus werd
geschreven, werd op 17 december 1780 in Ameide gedoopt en
overleed daar op 14 november 1865. Hij was eerst kastelein en
later timmerman en meester-timmerman van beroep en woonde “op
de Princegragt”. Zijn vrouw, met wie hij op 7 juni 1806 in
Ameide in het huwelijk trad, was de omstreeks 1783 in Beusichem
geboren en op 28 november 1864 in Ameide overleden Regina
Magdalena van Haarlem (ouders: Hendrik van Haarlem en Maria
van Zuilichem). Uit het huwelijk van Floris Kloos en Regina Magdalena van Haarlem werden acht kinderen geboren: 1. Tieleman, geboren op 14 januari 1807 in Ameide en aldaar overleden op 8 augustus 1874. Hij was timmerman van beroep 2. Maria, geboren op 26 mei 1808 in Ameide en aldaar overleden op 27 december 1891. 3. Florus Vink, zie verder bij de derde generatie (scroll ) 4. Hendrik, geboren op 22 maart 1812 in Ameide en overleden op 9 juni 1830 in Willige Langerak, waar zijn stoffelijk overschot werd opgevist uit de rivier de Lek. 5. Elisabeth, geboren op 14 oktober 1813 in Ameide en aldaar overleden op 30 november 1882. 6. Pieter, geboren op 2 maart 1815 in Ameide en aldaar overleden op 7 juni 1849. Hij was evenals zijn broers Tieleman en Hendrik timmerman en getrouwd met Flora Pieternella van Hemert. 7. Aletta, geboren op 24 november 1816 in Ameide en op 13 februari 1889 overleden in Lexmond. Ze was van beroep naaister en trad op 16 september 1858 in haar geboorteplaats in het huwelijk met de op 20 januari 1825 in Ameide geboren en op 12 december 1891 in Lexmond overleden metselaar Adrianus Verheij, zoon van Isaäc Verheij en Wilhelmina van Gelderen, 8. Helena, zie verder bij de derde generatie. Elizabeth, de jongste dochter van het echtpaar KloosVink, kwam op 3 december 1782 in Ameide ter wereld en stierf aldaar op 26 november 1873. Ze trad in haar geboorteplaats tweemaal in het huwelijk, en wel op 6 oktober 1800 met de omstreeks 1762 geboren en op 25 april 1813 in Ameide overleden “gepensioneerd Luitenant der Oude Hollandsche Armee” Ferdinant Fontane en op 7 juni 1826 met de op 12 maart 1786 in Ameide gedoopte en aldaar op 21 december 1857 overleden. Willem Schreij, zoon van Willem Schreij en Aaltje van Muijen. Het echtpaar Fontane-Kloos, dat in de Nieuwstraat woonde, had vier kinderen, die allen in Ameide werden geboren en daar ook zijn overleden: 1. Tieleman Pieter (7 april 1801 - ?). 2. Willem Carel (18 juli 1803 – 15 augustus 1876) Hij was smid. 3. Elisabeth (7 juli 1805 – 15 oktober 1873), en 4. Helena (4 mei 1812 – 1 december 1845). Ze was naaister. Arie, de jongste zoon van Tieleman Kloos en Lijsje Vink, werd op 22 augustus 1784 gedoopt in Ameide en overleed daar op 4 juni 1812. Hij was getrouwd met de op 20-12-1778 gedoopte en op 18 november 1817 in Ameide overleden Neeltje Hofland. Dochter van Bartholomeus Hofland en Neeltje Kooijman. Het echtpaar had een zoon, die op 3 juni 1812 in Ameide het levenslicht aanschouwde en Tieleman heette. De derde generatie Merrigje Limburg, de oudste dochter van Gerrit van Limburg en Helena Kloos, werd op 15 april 1800 geboren in Ameide en overleed aldaar op 26 februari 1879. Ze trouwde op 20 februari 1836 in haar geboorteplaats, waar ze winkelierster was, met de op 18 mei 1813 in Gorinchem geboren en op 23 juni 1865 in Ameide overleden koopman Jacobus Kriellaard (ouders : Kuindert Kriellaard en Susanna Regarda Schrader). Het echtpaar had vijf kinderen, die allen in Ameide werden geboren en daar ook zijn overleden : 1.
Susanna
Regarda (27 februari 1836 – 21 augustus 1836). 2. Gerrit Kuindert (29 maart 1837 – 31 januari 1838). 3. Helena (10 mei 1838 – 6 augustus 1924). 4. Gerrit Kuindert (24 augustus 1840 – 30 maart 1841), en 5.
Susanna Regarda (11 mei 1842 – 18 maart 1898). Helena
en Susanna Regarda Kriellaard (zie de foto op de linker
bladzijde), die beiden winkelierster waren, hebben in Ameide en
Tienhoven, waar ze bekend stonden als “de gezusters Kriellaard”,
in de tweede helft van de negentiende en wat aangaat de oudste
van de twee ook in het begin van de twintigste eeuw een
belangrijke rol gespeeld op kerkelijk, maatschappelijk en
financieel gebied. Hieraan wordt uitgebreid aandacht besteed in
“Macht en armoede aan de rivier. Ameide en Tienhoven
1870-1940”, het in oktober 2010 postuum uitgegeven boek van
mevrouw drs. Carla Jonker. Elisabeth,
de tweede dochter van Gerrit van Limburg en Helena Kloos, wier
achternaam nu eens als “Limburg” en dan weer als “van
Limburgh” of “van Limborgh” werd geschreven, werd op 4
augustus 1802 geboren in Ameide en overleed aldaar op 7 april
1879. Ze werd op 1 april 1831 in haar geboorteplaats in de echt
verbonden met de op 19 oktober 1801 in Ameide geboren en aldaar
op 21 mei 1871 overleden bouwman Isaäc Verheij (ouders:
Adrianus Verheij en Geertrui de Kogel). Uit dit
huwelijk werden zes kinderen geboren:
5. Tielemina, geboren in Ameide op 3 februari 1842 en aldaar overleden op 16 augustus 1843
Pieter,
de jongste zoon van Gerrit van Limburg en Helena Kloos, werd op
17 februari 1814 in Ameide geboren. Van hem is verder alleen
maar bekend dat hij aannemer was en dat uit zijn huwelijk met
Renetta Weijs op 12 december 1844 in Ameide een dochter werd
geboren, die Jeanette heette. Florus Vink Kloos, de op één na oudste zoon van Floris Kloos en Regina Magdalena van Haarlem, werd op 8 januari 1810 in Ameide geboren en daar zes dagen later in de hervormde kerk gedoopt, waarbij Helena Kloos en Engeltje Vink als getuige optraden. Hij overleed op 22 februari 1892 in Alblasserdam. Zijn tweede voornaam was afgeleid van de familienaam van zijn grootmoeder van vaderszijde, Lijsje Vink. Hij ging overigens niet als “Florus Vink Kloos”, maar als “Floris Kloos” door het leven. Floris Kloos, zoals ik hem verder zal noemen, was aanvankelijk timmerman-molenmaker en later scheepsbouwmeester van beroep. Hij trad op 3 augustus 1832 in Poederoijen in het huwelijk met de op 9 maart 1811 in Aalst geboren Teuntje Opstelten, dochter van Johannes Opstelten en Anna Elizabeth Zonneveld. Het echtpaar Kloos-Opstelten had elf kinderen, die – met uitzondering van de in Aalst geboren oudste dochter – allen in Alblasserdam ter wereld kwamen. Het betrof:
9. Ivo Elize (28 februariu 1848 -18-07-1931). Hij was civiel ingenieur en trouwde op 12 september 1877 in zijn geboorteplaats met de aldaar op 17 juli 1854 geboren Teuntje Lels, zuster van de zoëven genoemde Hessel Murk Lels. Het echtpaar woonde in ’s-Gravenhage. 10. Maria Elizabeth (15 april 1850 – aldaar overleden op 14 maart 1866), 11. Sophia (13 december 1853 – aldaar overleden op 10 september 1854). Helena,
de jongste dochter van Floris Kloos en Regina Magdalena van
Haarlem, werd op 29 september 1822 in Ameide geboren en overleed
daar op 25 juni 1875. Ze werd op 7 februari 1843 in haar
geboorteplaats in de echt verbonden met de daar op 23 april 1820
geboren en op 5 februari 1905 overleden schipper Dirk
Uittenbogaard (ouders: Dirk Uittenbogaard en Antonia van
Gelderen). Helena Uittenbogaard-Kloos bracht in Ameide twaalf
kinderen ter wereld, van wie een dochter en drie zoons op zeer
jeugdige leeftijd overleden. De anderen waren:
De vierde generatieJohannis,
de derde zoon van Floris Kloos en Teuntje Opstelte, werd op 21
juni 1840 geboren in Alblasserdam. Verder is van hem niet veel
meer bekend dan dat hij scheepsbouwmeester was en dat uit zijn
huwelijk met Elisabeth Goedkoop op 30 mei 1866 in zijn
geboorteplaats een dochter werd geboren, die Maria Elisabeth
heette. Florus,
de op één na jongste zoon van Floris Kloos en Teuntje
Opstelten, werd op 23 december 1847 geboren in Alblasserdam en
overleed aldaar op 12 augustus 1919. Hij was scheepsbouwmeester
en fabrikant van beroep. Zijn echtgenote was de omstreeks 1846
in Hendri-Ido-Ambacht geboren en op 4 januari 1914 in Rotterdam
overleden Anthonetta Nelina Coert, dochter van Jan Hendrik Coert
en Margje Smit. Het echtpaar Kloos-Coert had acht kinderen, die
allen in Alblasserdam ter wereld kwamen:
Uit dit overzicht kan worden afgeleid dat Floris Kloos, ook al had hij vijf zonen, geen kleinzoon had die de naam Kloos droeg. Dit houdt in dat deze tak van het geslacht in de vierde generatie in de mannelijke lijn ophield te bestaan. Kloos Kinderdijk (klik hier)Ik besteed nu aandacht aan de belangrijke bijdrage van Floris Kloos aan de economische ontwikkelingen in onze contreien en ga daartoe terug naar de eerste helft van de negentiende eeuw. Bij zijn activiteiten als molenbouwer sta ik niet stil om zoveel mogelijk te voorkomen dat er doublures optreden met het elders in deze editie van het Nieuwsblad opgenomen artikel van de heer Ad Korpel, waarin dit onderwerp uitgebreid wordt belicht. Ik pak de draad op in 1849– het jaar, waarin Floris Kloos “aan de Kinderdijk” van zijn toenmalige werkgever Cornelis Smit uit Alblasserdam een buitendijks gelegen stuk land kocht, waarmee de grondslag werd gelegd voor het latere concern Kloos Kinderdijk. Floris Kloos was een entrepreneur – een ondernemer, die niet aarzelde om de bakens te verzetten wanneer hij in financieel-economisch opzicht nieuwe uitdagingen ontwaarde, zonder daarbij te grote risico’s te nemen. Zo ging hij bij de verwerving van het stuk land aan de rivier de Noord uit van de gedachte dat zijn toekomst eerder in de scheepsbouw dan in de molenbouw was gelegen. Binnen een jaar verkreeg hij via het College van Burgemeester en Assessoren van de gemeente Alblasserdam toestemming van de minister van Binnenlandse Zaken om zijn buiten gronden op te hogen en vrijdom van grondbelasting om er gebouwen te stichten. De zaken gingen kennelijk goed, want de ondernemer kocht in 1860 al een tweede stuk buitendijks land om zijn scheepswerf uit te breiden, ditmaal van de heer J. Vroege uit Alblaserdam. Om de bedrijfsonderdelen van elkaar te onderscheiden werden de benamingen “Oude Werf ” en “Nieuwe Werf ” ingevoerd. Floris Kloos was middelerwijl tot de notabelen van Alblasserdam gaan behoren, zij het dat zijn toetreding tot de raad van deze gemeente niet rimpelloos verliep, omdat hij volgens het uittreksel uit het geboorteregister van Ameide de voornamen “Florus Vink” droeg. Nadat deze administratieve hobbel was genomen, werd hij in 1862 raadslid, wat hij bleef tot 1879, in 1865 en 1866 in combinatie met het wethouderschap. Zijn activiteiten in de gemeentepolitiek vormden voor Floris Kloos geen beletsel om de werf tot grote bloei te brengen. Het valt buiten het bestek van dit artikel om een enigermate volledige opsomming te geven van de producten die er in de loop der jaren werden vervaardigd. Daarom volsta ik met de vermelding van een aantal hoofdpunten. De eerste eerste kiellegging vond op de “Oude Werf ” plaats in 1849. Het betrof de bouw van het bark schip2 * “De Nijverheid”, dat in 1851 van stapel liep. De eerste reis werd ondernomen in november 1852, met het voormalige Nederlandsch-Indië als eindbestemming. Aan boord bevond zich onder andere een detachement aanvullingstroepen van het Koninklijk Nederlandsch-Indisch Leger (KNIL) ter sterkte van honderdvijftig onderofficieren en manschappen. In de jaren daarna werden de volgende schepen te water gelaten: het barkschip “Voorwaarts” (1852), de clipper-campagnefregatschepen3 ** “Nieuw-Holland” en “Vlaardingen” (in respectievelijk 1854 en 1855), de barkschepen “Honingbij” en “Parsee” (beide in 1856) en “Johannes Lodewijk” en “Anthonie van Hoboken” (in respectievelijk 1857 en 1860) en de fregatschepen “L.J. Einthoven” en “Jupiter” (beide in 1864) en “Sliedrecht” en “Elisabeth” (beide in 1865). Het fregatschip “Elisabeth” was het laatste houten koopvaardijschip dat op de werf van Kloos werd gebouwd, waarna men overschakelde op staalbouw. Het ging hierbij om de bouw van twaalf “ijzeren rivierstoomboten” (deels raderstoomboten, deels schroefstoomboten). Voor zover bekend zijn er bij Kloos nooit stoommachines of stoomketels gemaakt. Die werden namelijk geïmporteerd uit Engeland en België. In 1869 brak voor de onderneming een nieuwe fase aan, die van de bruggenbouw. Het ging om de bouw van een spoorbrug over de Dieze bij ’s-Hertogenbosch. Dit was het eerste van zo’n honderd projecten, die in alle gevallen werden uitgevoerd in opdracht van verschillende spoorwegmaatschappijen, die later als de “Hollandsche IJzeren Spoorweg Maatschappij” en nog later als de “Nederlandsche Spoorwegen” zouden gaan samenwerken. De werken werden uitgevoerd in onder andere Rotterdam (bruggen over de Schie en de Rotte), bij Baanhoek (de brug over de Merwede), en in Geldermalsen en Geertruidenberg (bruggen over respectievelijk de Linge en de Donge). In dit tijdsgewricht sloeg de onderneming de vleugel steeds wijder uit: op de eilanden Java en Sumatra werden verscheidene bruggen gebouwd en er werden ook activiteiten ontplooid ten behoeve van de spoorwegen in Zuid-Afrika Het bedrijf van Floris Kloos heettte inmiddels “F. Kloos & Zonen, Kinderdijk”. Dit hield verband met de toetreding tot het bedrijf – uiteraard in leidinggevende functies - van diens zonen Hendrik, Johannis, Florus en Ivo Elize. Johannis en Ivo zijn overigens niet lang aan het bedrijf verbonden geweest: de eerste vertrok in 1867 naar Amsterdam, waar hij in dienst trad van de rederij van de Gebroeders Goedkoop, uit welke familie zijn vrouw Elisabeth afkomstig was. Ivo vestigde zich met zijn vrouw Teuntje Lels in ’s-Gravenhage, waar hij werkzaam was als ingenieur. De vrijgezelle Hendrik, die in de wandeling veelal “meneer Hein” werd genoemd, en Florus gaven daarentegen jarenlang mede leiding aan het door hun vader opgerichte bedrijf. Van de eerste is bekend dat hij bij de werf een ruim bemeten woonhuis en een paardenstal met koetshuis liet bouwen en zich gewoonlijk liet rijden in een met twee paarden bespannen rijtuig. Florus, die na het overlijden van Hendrik in 1904 alleen aan het hoofd van de onderneming kwam te staan, is de geschiedenis ingegaan als een uiterst nauwgezet man. Zo werkte hij volgens de overlevering eens een volle zondag door om een kasverschil ten bedrage van twee-en-een-halve-cent op te sporen dat hij aan het einde van de werkweek had geconstateerd. “Florus Kloos Jr.“, zoals hij ook wel werd aangeduid, was tevens degene die in 1905 bewerkstelligde dat de structuur van de onderneming werd gewijzigd, waardoor de “Naamloze Vennootschap F. Kloos en Zonen’s Werkplaatsen” te Kinderdijk ontstond. Hij werd zelf commissaris van de nieuwe NV. Zijn eerder in dit artikel geïntroduceerde schoonzoons J.M. Prins Visser en B. Visser, beiden ingenieur, traden aan als directeur. Het driemanschap slaagde er in de eerste decennia van de vorige eeuw in om de onderneming aanzienlijk uit te breiden. Ook in technisch opzicht werden er belangrijke vorderingen geboekt. Het overlijden van zijn zwager en zijn schoonvader op respectievelijk 26 juni 1917 en 12 augustus 1919 hield voor ir. B. Visser vanzelfsprekend een niet te onderschatten taakverzwaring in. Dit weerhield hem er niet van om publieke functies te aanvaarden: hij was van 1929 tot 1939 lid van de gemeenteraad en van 1930 tot 1935 tevens wethouder en loco-burgemeester van Alblasserdam. De economische neergang gedurende het interbellum (de periode tussen de beide wereldoorlogen) liet ook de Naamloze Vennootschap in Kinderdijk niet onberoerd. Daar kwam bij dat een samenwerkingsverband met de “Aktiengesellschaft für Eisenindustrie und Brückenbau”, voorheen “Johann Caspar Harkort”, te Duisburg in het midden van de jaren twintig op niets uitliep en de onderlinge verhoudingen in de top van de onderneming door minder gelukkige benoemingen verslechterden. Het zou echter te ver voeren om deze ontwikkelingen hier “en détail” te beschrijven, ook al omdat de relatie met de nazaten van Floris Kloos met het verstrijken der jaren steeds diffuser werd. Dit laat onverlet dat de naam van de oprichter aldoor aan het verblijf verbonden bleef. Ik kom daar in het laatste gedeelte van dit artikel op terug. Ik hervat nu de beknopte beschrijving van de productielijn van de onderneming, wat me ertoe brengt terug te keren naar het laatste kwart van de negentiende eeuw. In die periode werd een begin gemaakt met tal van nieuwe activiteiten, die vrijwel zonder uitzondering in de twintigste eeuw werden voortgezet. Het ging hierbij met name om de productie van (droog)dokken (voor onder andere de havens van Rotterdam en Sidney), materieel voor de Staatsmijnen, telefoonmasten (ter plaatsing op de eilanden Java en Sumatra) en sluisdeuren. In het laatste geval betrof het werken die in opdracht van Rijkswaterstaat werden uitgevoerd in achtereenvolgens Vlissingen, IJmuiden en Hansweert. In het in 1968 ter gelegenheid van het 125-jarig bestaan van de onderneming verschenen jubileumnummer van “Het Contact”, het bedrijfsorgaan van Kloos Kinderdijk, wordt er melding van gemaakt dat “de twintigste eeuw met een aantal omvangrijke orders inzette”. Deze orders behelsden de bouw van een overkapping voor de ijzer- en kopergieterij van Smit Slikkerveer, het eerste gebouw dat in staalconstructie werd vervaardigd, en verscheidene andere fabriekshallen en de aanvang van een “fabricageprogramma” voor drijvende bokken, die voor het merendeel voor Wilton-Feijenoord en de firma Van der Tak in Rotterdam bestemd waren. Daarnaast bleef een oudere tak van het bedrijf floreren, die van de bruggenbouw, vooral onder invloed van de sterke toename van het wegverkeer in de periode tussen de Eerste en de Tweede Wereldoorlog. Zo werden in opdracht van en in samenwerking met Rijkswaterstaat bruggen gebouwd in Keizersveer, Arnhem, Moerdijk en Alblasserdam. Een andere belangrijke opdrachtgever in de jaren dertig van de vorige eeuw was de “Rotterdamsche Droogdok Maatschappij” (R.D.M.), waarvoor een grofsmederij, een scheepsbouwloods, een lasloods, een droogdok, een ketelmakerij en een machinefabriek tot stand werden gebracht. In de eerste jaren na de Tweede Wereldoorlog speelde Kloos Kinderdijk een belangrijke rol bij het weer op gang brengen van het weg-, rail- en scheepvaartverkeer, in het bijzonder door het lichten en herstellen van een schier eindeloze reeks bruggen. Aansluitend werden nieuwe bruggen ontworpen voor rivierovergangen bij Gorinchem, Weert, Hedel, Schalkwijk, Zeeburg (Amsterdam), Numansdorp, Gouda, Voorburg en Sas van Gent. Ook bij de Deltawerken, die na de stormramp van 1953 versneld werden uitgevoerd, was de onderneming van meet af aan in menig opzicht betrokken. Ik noem in dit verband de medewerking aan de bouw van de stormstuw in Krimpen aan de Lek, het eerste project van de Deltawerken, en de betrokkenheid bij het storten van het sluitstuk in de Grevelingendam en de assemblage van de schuiven van de uitwateringssluis in het Haringvliet.\ Met de vervaardiging van spoorwegmaterieel was het Kinderdijkse bedrijf al in het eerste decennium van de twintigste eeuw begonnen. Het betrof het maken van een spoorwegkruising ten behoeve van het “Hollandsche Spoor” in Amsterdam. Dit was het eerste van een lange reeks projecten op dit gebied, die vanwege de niet aflatende technische problemen met wisselend financieel succes werden uitgevoerd, in opdracht van onder andere het zoëven genoemde “Hollandsche Spoor”, het “Staatsspoor”, de “Rotterdamsche Tramweg Maatschappij” (RTM), de “Noord en Zuid-Hollandsche Tramweg Maatschappij” en de “Nederlandsche Spoorwegen”. Niet onvermeld mag blijven dat Kloos Kinderdijk ook een wezenlijke bijdrage heeft geleverd aan de totstandkoming van de Rotterdamse Metro, waarbij de technologische kennis van het bedrijf zeer goed van pas kwam. SlotEerder in dit artikel werd er al gewag van gemaakt dat Florus Kloos Jr. (1847 – 1919) de laatste Kloos was, die mede leiding gaf aan het concern. Na het overlijden van zijn kleinzoon A.J. Prins Visser, directeur sinds 1929, in de maand september van het jaar 1953 was geen enkele representant van de familie meer als zodanig werkzaam. De laatstgenoemde maakte overigens niet meer mee dat de onderneming in 1955 door toedoen van de nieuwe directeuren, de heren J.M. Nijman Dzn en ir. A. van Aalst, werd omgezet van een “gesloten” in een “open” Naamloze Vennootschap. De turbulente ontwikkelingen, die het gevolg waren van het ontstaan van een aanzienlijke overcapaciteit in de sector van de staalconstructie in de jaren zestig en zeventig van de vorige eeuw, gingen niet ongemerkt aan Kloos Kinderdijk voorbij. Integendeel, ook daar ontstond in die periode het inzicht dat herstructurering onvermijdelijk was, wat in 1977 leidde tot een fusie met “Hollandia” in Krimpen aan den IJssel. De aldus ontstane onderneming “Hollandia-Kloos” kreeg het zwaar te verduren door de aanhoudende malaise in de metaalsector, met als gevolg werktijdverkorting en massa-ontslagen. In 1985 werd besloten om een doorstart te maken onder de naam “Mercon-Kloos Holding B.V.”. Maar dit is nog niet het eind van het verhaal. Het gehele bedrijfsterrein van “Mercon-Kloos Holding B.V.” werd in januari 1999 namelijk verkocht aan een projectontwikkelaar om er woningen te bouwen. De resterende spoorwegafdeling werd een jaar later samengevoegd met de railafdeling van Oving in HendrikIdo-Ambacht, waardoor “Kloos-Oving b.v.” ontstond,
Fa Kloos Kinderdijk met in het midden vooraan met ringbaardje Floris Kloos |
|